Onverminderd de voor de boekhouder B.I.B.F. door de wet opgelegde verplichtingen het beroepsgeheim te bewaren conform artikel 458 van het Strafwetboek, is hij tevens gehouden tot naleving van een beroepsdiscretieplicht.
Deze discretieplicht omvat de geheimhouding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in zijn hoedanigheid van boekhouder werden toevertrouwd en van feiten met een vertrouwelijk karakter, die hij in de uitoefening van zijn beroep heeft vastgesteld.
Er kan de boekhouder BIB evenwel geen inbreuk op de tuchtvoorschriften inzake de discretieplicht ten laste worden gelegd :
1. wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te
leggen;
2. wanneer de wettelijke bepalingen hem tot mededeling van volledige
of gedeeltelijke inlichtingen verplichten;
3. in de uitoefening van zijn persoonlijke verdediging in rechterlijke
of tuchtaangelegen-heden;
4. wanneer de toepassing van de deontologische regels het vereist;
5. wanneer en in de mate waarin hij, betreffende aangelegenheden
die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze
laatste uitdrukkelijk van zijn discretieplicht
ontslagen werd.